Maar hij is zo behoeftig aan gezelschap, op momenten die tot in de puntjes aan zijn ruimte en tijd moeten beantwoorden, dat hij uren voorafgaande aan de afspraak tot niets meer in staat is, tegen beter weten in eindeloos zijn haren kamt, en in de leefruimte rondjes draait, totdat hij en de genodigde elkaar eindelijk ontmoeten en hij, hoewel hij dacht zich preventief te hebben opengewerkt, monddood gesloten is, niet in staat tot bekentenissen, wars van elke anekdote, verbannen tot een glazige soevereiniteit, en dan maar overgaat tot de rol van de vragensteller, eindeloos lang de ene vraag na de andere, zonder ook maar één antwoord te laten bezinken, teneinde het bezoek af te sluiten in een volmaakte leegte.