dinsdag 2 juni 2026

BLIJF TELLEN!
Enkele dagen geleden gaf ik aan mijn dochter voor haar achttiende verjaardag een telraam, zoals haar vrienden en vriendinnen ook een telraam kregen toen ze het voorbije jaar meerderjarig werden. Het luidde het begin van de volwassenheid in. Of ze nu verder studeert of niet, vanaf juli begint ze hoe dan ook met tellen.
Ik dacht dat ik er goed aan deed, maar zij toonde zich ondankbaar en had veel vragen. Zo heeft ze een vriend die ook een telraam kreeg, veel chiquer dan wat ik voor had gekocht en nog met dit verschil dat de kralen op zijn telraam niet verschoven kunnen worden. Hij zal nooit moeten tellen.
Een vriendin van haar, die van de kunsthumaniora, had een installatie gebouwd die bestond uit vier wanden als telramen, die tezamen een kamer of een kooi vormden. In het midden zat een man van onbestemde leeftijd op een krukje door een telraam te staren. Er was weinig uitzicht. Er stond geen dak op, dus de hemel was vrij. Mooi en deprimerend.
Mijn dochter vroeg of ik ook een telraam had gekregen op mijn achttiende. Nee, antwoordde ik naar waarheid. Wij gingen studeren, waren nadien vrolijk arrogant en werkloos, huurden in de oude stad appartementen die we zelfs met onze uitkering konden betalen. Rond mijn vijfentwintigste nam ik een deeltijdse job. We waren eens lang ziek. We leerden levenslang. We kochten huizen in opkomende wijken. We namen tijdskrediet. Maar nu is het anders. 'Je moet tellen, schat.'
'Noem me niet schat', zei ze.  
Het telraam nestelde zich achter haar groengrijze ogen, als een raster waar ze doorheen kijkt, vol berekende betekenis en tegelijk leeg, zonder avontuur. Ik wou haar zeggen dat als ze toch avontuur wil in haar jonge leven, dat ze dan moet ondernemen. Word ondernemer! Maar ik ken haar temperament. Ze lijkt op haar ouders, dromerig en in de geest altijd op wandel. Er wacht haar een ander soort avontuur.
Ze gooide het telraam stuk op de hardhouten vloer. Honderd kralen kletterden en rolden tussen onze voeten en onder de tafel. Eerst was ik verontwaardigd. Het telraam had immers geld gekost, dus had het waarde. Meteen daarna was ik trots, omdat mijn dochter dat raam achter haar ogen, waardoor ze naar haar leven moest kijken, verbrijzelde.
We verzamelden de kralen in een doosje. 
Zij nam zich voor niet te tellen en zich niet te laten tellen. ‘We zullen betrokken moeten blijven,’ zei ze, ‘en tegelijk moeten we ons los denken.’
Het is maar goed dat ik geen dochter heb.