"Je komt tot een ontdekking die soms haast iets bedwelmends heeft, namelijk dat je vrij bent, dat er niets is wat op je drukt, niets wat je aanstaat of tegenstaat. In dit leven zonder slijtage en zonder andere beroering dan die zwevende ogenblikken die je ontleent aan de speelkaarten of aan bepaalde geluiden, bepaalde taferelen die je gadeslaat, vind je een geluk dat haast volmaakt is, dat je fascineert en soms doet overlopen van nieuwe emoties. Er valt je een volkomen rust te beurt, je wordt op elk moment gespaard, beschermd. Je leeft in een gelukzalig terzijde, in een veelbelovend vacuüm, waarvan je niets verwacht. Je bent onzichtbaar, doorschijnend, transparant. Je bestaat niet meer: uren, dagen volgen elkaar op, seizoenen gaan voorbij, de tijd verglijdt, je leeft voort, zonder vreugde of droefenis, zonder toekomst of verleden, zomaar, gewoon, vanzelfsprekend, als een druppel aan een kraan van een fonteintje op een overloop, als zes sokken die in een roze plastic teiltje staan te weken, als een vlieg of als een oester, als een koe, als een slak, als een kind of als een grijsaard, als een rat." (Georges Perec; 1967)