Het leven van Leonard is niet het leven van Leon.
Het leven van de schrijver is niet het leven van de vader.
De schrijver schrijft en de vader vadert.
De vader zit de schrijver in de weg.
De schrijver zit de vader in de weg.
Daar hebben de kinderen mee te leven.
De schrijver triomfeert in het vooruitlopen.
De vader sleept in het spoor van het schrijverschap.
De vader ijlt, nadat de schrijver is gestorven.
Het schrijverschap heeft sporen getrokken.
Wie spreekt er nu? De vader of de sporen die oplichten?
De kinderen luisteren aandachtig naar het sterfbed.
Geen woord doet de schrijver-vader goed.
De vreemde weigert voor zichzelf het afscheid.
De vertaler vertaalt het lastige leven naar een lastige dood.
Leg je maar te slapen, maar de ik en jij en wij klimmen uit het bed.
De laatste stukken van mensen lossen op in het grote bewustzijn.
Alles is uit handen gegeven en niet langer afgedicht.